Naar een landelijke standaard voor het dimmen van VRI’s

Momenteel worden in Nederland verkeerslichtenarmaturen meestal bij zonsondergang gedimd. Er is echter geen landelijke standaard die bepaalt hoeveel licht een VRI-lantaarn dan nog moet uitstralen. Een team van vakgenoten heeft in maart onderzocht of er in de huidige situatie sprake is van lichthinder en of de verkeersveiligheid bij dimmen in het geding is. Dit in combinatie met verschillende verlichtingsniveaus van de wegverlichting ter plaatse.

Gerard van Dijck, verkeerskundige bij de Provincie Utrecht, vertelt over de achtergronden bij de proef. “Er is behoefte aan een landelijke standaard voor zowel donkere gebieden als stedelijk gebied. In natuurgebieden en bosrijke omgevingen wil je lichthinder beperken, zonder dat de verkeersveiligheid in het geding komt. In de stedelijk gebied heb je te maken met veel omgevingslicht, waarbij een vri natuurlijk wel moet blijven opvallen.”

De proef is uitgevoerd op een kruispunt aan de oostrand van de stad Utrecht. Ter plaatse was zowel ledverlichting als oude lagedruk natriumverlichting. De ledverlichting is tijdens de proef op 100%, op 50% en op 15% gezet. De lagedruk natriumverlichting is tijdens een deel van de proef geheel uitgeschakeld. Naast een standaard verkeerslantaarn is een scheepvaartlantaarn gezet. “De scheepvaart voorziet al enige tijd in een tweede dimstand, die verder terug dimt dan een verkeerslantaarn. Wellicht is een tweede dimstand ook een optie voor verkeerslantaarns.”

Startvragen voor de proef waren: is er inderdaad sprake van lichthinder onder bepaalde omstandigheden in de gebruikelijke 1e dimstand? En is de tweede dimstand bij weinig omgevingslicht nog voldoende verkeersveilig? “De eerste vraag kan ik bevestigend beantwoorden, er is sprake van lichthinder in donker gebied, ook bij dimstand 1. Bij de tweede dimstand bleek dat het gele licht te weinig zichtbaar was. Rood en groen waren wel voldoende zichtbaar.”

ASTRIN zit in de normcommissies en neemt de resultaten van de proef mee in hun advies. “Uiteraard zal nader grootschalig onderzoek nodig zijn in een eventueel vervolgtraject. We hebben in elk geval een eerste schifting gemaakt”, zegt Van Dijck.